Willem Jan Otten: Het lijden zien en niet wegkijken
Interview

Willem Jan Otten: Het lijden zien en niet wegkijken

Door Henk-Jan Hoefman

“Heb je naaste lief zoals jezelf.” Oftewel: want die is er een zoals jij. Barmhartigheid groeit op in jezelf, maar wordt volwassen in de ander, van mens tot mens. Zien en niet wegkijken. Gezien worden en omzien naar elkaar in verwondering en dankbaarheid. En kiezen: vierkant voor, vierkant tegen.

Zoals schrijver Willem Jan Otten. Zijn moeder tekende het lijden in het jappenkamp. Van haar leerde hij zien en niet wegkijken: “Die blik van haar voor het lijden heeft van mij een kijker gemaakt.” Of zoals pianiste Karien, die haar talent geërfd heeft maar niet cadeau wil krijgen: “want echte cadeaus mag je niet voor jezelf houden.” Of zoals die bijzondere Indianenjongen die zijn naam moet verdienen. Hij wordt niet Bizondoder, maar Bizonbroeder. Maar ook zoals ooit Adam in het paradijs verwonderd Eva ontdekte: een naaste die tegenover hem stond.

“Mijn moeder tekende. Altijd. Als ik speelde was zij aan het tekenen. Het was een gewoonte, ontwikkeld in het jappenkamp. Ze was toen nog maar veertien. Ik heb een tekening van een zittende vrouw weten te bewaren. Twee dagen later was die vrouw dood. Als mijn moeder pijn zag, ging ze tekenen. Zo heeft ze ook mijn stervende grootmoeder getekend. En mijn broertje, toen die in het ziekenhuis lag. Die blik van haar voor het lijden heeft van mij een kijker gemaakt. Mijn vriendjes waren bang voor die blik. Ze keek dwars door je heen met van die grote, schouwende ogen. Mijn vriendjes zeiden wel eens dat ze rare ogen had. En daar was ik dan weer trots op. Als ze dood is, zal ik haar blik missen.”

Aan het woord is Willem Jan Otten, schrijver van beroep, op 7 mei 2005 bekroond met de Librisprijs voor zijn boek Specht en Zoon. We bezoeken hem op een dag in de lente. Als we zijn woonplaats, een oud Goois vestingstadje, binnenrijden, wanen we ons in een sprookjesachtig labyrint: kleine straatjes met pandjes schouder aan schouder, bastions op zeven punten van de waterkant en zo te zien geen weg meer terug. Hoe kwamen wij dit doolhof in en hoe er weer uit? In het midden treffen we gelukkig geen minotaurus aan, maar een kwispelstaartend hondje, uitgelaten door de schrijver zelf. Hij schenkt thee in zijn tuin. Zijn middelvingers tikken behoedzaam tegen de rand van het kopje. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes, alsof hij de woorden die hij zoekt scherper wil zien.

 

'Wie zoals ik na de oorlog geboren is in het rijke Westen is een kijker.'

 

“Op het perron sprak ik laatst een blinde vrouw die haar blindgeleidehond aan het opleiden was. Ze reisde wat op en neer om het beest de route te leren. Ze zei: ik ben maar wat aan het rondkijken. Mooi is dat. Je zegt nooit: ik ben maar wat aan het rondluisteren. Kijken is veel gerichter dan luisteren. Als je kijkt weet je dat het er is. Je ziet iemand kijken en je gaat meekijken. In mijn werk zijn personages vaak kijkers. Wie zoals ik na de oorlog geboren is in het rijke Westen is een kijker. Niet van nature, maar zo gevormd door de visueel ingestelde cultuur. Ik ben even oud als het medium televisie. Wij hebben allemaal Auschwitz gezien als een fotoverhaal, een beeld. We hebben allemaal seksualiteit zien doen voor we het zelf gedaan hadden. Het beeld, dat dominante ervaring overbrengende ding, gaat voor de realiteit uit. Vroeger niet, toen waren er de verhalen, de raadsels en de roddels. Mijn personages echter hebben ervaringen van het beeld.”

Op de vraag of het idee voor de roman Specht en Zoon ook met kijken begonnen is, antwoordt hij dat de volgende vraag bij hem opkwam: ‘Wat zou er gebeuren als ik schilder was, een kijker, en ik zou gevraagd worden een dood kind van iemand te schilderen?’ “Dat is de beginscène,” vertelt hij, “de hoofdrol is echter voor de kijker in het boek. En die kijker, die het hoofdpersonage is, is het doek dat beschilderd gaat worden.” Wat is dit voor lot, dat ik altijd alleen maar weet wie ik ben als er naar mij gekeken wordt? Wie ziet mij, alsjeblieft, wie maakt dat ik besta? (Specht en zoon, blz 129).

“Zien is iets anders dan kijken. Ik kijk in het museum naar het melkmeisje van Vermeer. Als ik daar ben, eigen ik het me toe. Dan komt er een moment dat ik het zie, dat ik het doorheb. Dan kan ik mijn ogen dichtdoen en hoef ik ook niet meer te kijken. Het straaltje van de melk is zo typisch dat ik, om dat te zien, niet meer hoef te kijken. In Specht en zoon is de schilder die door het doek schepper wordt genoemd, een echte kijker, een toeschouwer, een waarnemer. Zijn vrouw Lidewij is degene die ziet voordat ze begrijpt. Ze helpt haar man van kijken naar zien. Wat is er gebeurd?

Schepper heeft lang geleden de mismaaktheid van zijn vriendje Tijn niet willen zien. Dat vriendje vroeg in al zijn kwetsbaarheid om geaccepteerd, bemind te worden, maar schepper heeft alleen maar even gekeken en toen zelfs van Tijn weggekeken, hem niet meer willen zien. Wanneer schepper nu, jaren later, de opdracht krijgt om een dode jongen te schilderen, delgt hij de oude schuld door dat vriendje van toen uit te beelden. Zijn vrouw Lidewij die dit verhaal niet kent, ziet het doek en zegt ontroerd dat ze een kind van de schilder wil. Als hij zozeer onschuld kan oproepen, vertrouwt ze hem en mag hij de vader van haar kind worden. De ander zegt: ik wil een kind van jou. Dat is het gevolg van de inlossing van de oude schuld. De kijker is een ziener geworden. Hij heeft de mismaaktheid van toen alsnog onder ogen gezien. Na het schilderen van het kind wordt hij vader en is de opdracht vervuld. Pas daarna vertelt hij Lidewij over Tijn die hij verloochend heeft. Het kijken en zien door Lidewij gaat voor de daad uit.”

God, wat heeft hij van je gehouden, zei Lidewij, zonder haar blik van mij los te maken. Dat hij wilde dat jij hem zag. Wat voelde hij zich veilig bij jou. Schepper zweeg (Specht en zoon, blz 74).

We praten over verschillende manieren van zien. In het verrijzenisverhaal uit het evangelie volgens Johannes is sprake van drie manieren, in het Grieks ook weergegeven met drie verschillende woorden. De Naardense bijbel vertaalt ze als: waarnemen, aanschouwen en zien. Johannes, de geliefde leerling, kijkt eerst oppervlakkig in het graf, hij neemt alleen maar waar. Dan gaat Petrus het graf binnen, maar hij aanschouwt, hij kijkt er van buitenaf tegenaan, hij kijkt theoretisch, hij heeft een visie. Dan gaat de geliefde leerling het graf binnen en hij ziet en gelooft.

“Je kunt van Petrus zeggen wat je wilt maar wie het graf binnengaat is dapper. Hij speelt va-banque. Het zal de loochenaar geen vierde keer gebeuren. Dat is de goddelijke blik: het lijden zien en niet wegkijken. Stel je voor: je bent dood en niemand komt kijken en kijkt van je weg. Dan ben je pas echt dood. Je ziet dat soms – aan een sterfbed – een soort blikkenfestival, waarbij de één van de ander ziet dat hij meer wegkijkt van hijzelf …. Kijken en blijven kijken, dat is het knappe van Petrus. Zo kijkend krijgen ook wij het te zien, eens, ooit, dat God niet dood is. ”

We vragen de schrijver of er zoiets is als een barmhartige blik. Hij noemt het uitgeleefde woorden, maar het blijft een feit dat je genadeloos naar iemand kunt kijken, dus óók barmhartig. Niet in de zin van het moet, maar het mag. Niet in de zin van normen en waarden die van buitenaf zijn opgelegd, maar in de zin van het spreken van je hart. Als barmhartigheid bestaat, dan komt het van binnenuit.

“Barmhartigheid is natuurlijk een borstkloppend woord, Dat kun je echt niet van jezelf zeggen. Toch houd ik mij aan wat Frans Kellendonk zei: ‘De grote woorden kun je wel afschaffen maar niet het verlangen waaruit ze bestaan.’ Als schrijver wil ik het verlangen naar die barmhartige blik doorvertellen. Er is een nood aan dat verlangen. De grote drama’s draaien daar om. King Lear in het gelijknamige toneelstuk van Shakespeare doet vreemd maar dat verlangen heeft hij. Als je hem opvoert in een enscenering zonder dat verlangen, begint hij plotseling op een gewetenloze schurk te lijken, een soort oude Breznjew en meer is het personage dan niet.

De vorige paus ( Johannes Paulus II, red.) had dat verlangen ook, om alle lijden en alle dood van de wereld onder ogen te zien. Toen hij stierf kregen ontelbare jongeren te zien hoe religie de dood overwint. Met welke gebaren en welke teksten. Zonder dat je bang hoefde te zijn voor gek versleten te worden. Ze waren via eerdere tv-beelden gewend aan rouw gepaard met wraakzucht of rouw gepaard met kitsch, dit echter was de verwondering en dankbaarheid om een oude vader die tegelijk als een sterke man op ons afgekomen was. Hier in het Westen keken mensen van hem weg. Dat hoort bij ons Darwinistisch denken, bij het weten dat de sterken overleven en de zwakken teloorgaan.

Een seniele man, zeiden sommigen. Wij willen immers niet zijn waar de doden zijn. Dan overleeft de soort niet. We stappen over de krimpende mens heen en rennen naar de meisjes om kindjes te maken. Christendom echter is naar de naaste gaan, uitzinnig en mateloos tegen je eigen neigingen in om de soort in stand te houden. Het is een oeroude kracht, tegen alle evolutie in, die door het christendom is geadopteerd. Het is niet te doen maar het moet. Het is iets dat menselijkerwijs nauwelijks op te brengen is – maar als je het laat schieten en weg denkt, dan voel je je óók geen mens.”

Willem-Jan Otten

Specht en zoon, verschenen in 2004, is een rijke roman over de wens iemand op de wereld te zetten, waarmee Willem Jan Otten onverminderd zijn vertellerstalent bewees. Hij ontving er op 2 mei 2005 de Libris Literatuur Prijs voor.

Willem-Jan Otten (Amsterdam, 1951) is schrijver en dichter met een veelzijdig oeuvre van poëzie, verhalend proza, toneel, kritieken, artikelen beschouwingen en essays. Hij is eredoctor van de Universiteit van Utrecht.