Als brood dat wordt gebroken
Essay

Als brood dat wordt gebroken

Door Prof. dr. Hendrik Opdebeeck

Prof. dr. Hendrik Opdebeeck van de Universiteit Antwerpen was een van onze gewaardeerde gasten tijdens de summerschool 2015 ‘Leiderschap met Passie en Compassie’. Verrassend en to the point in zijn bijdrage was de parallel die hij trok tussen de deelnemende studenten en het verhaal van de ‘Rijke Jongeling die Jezus ontmoet’. Hij wist een uiterst boeiend palet van dienend leiderschap, de maatschappelijke actualiteit en Christelijke waarden te creëren. Daarmee gaf hij onze aspirant-leiders een inspirerende richtingaanwijzer mee naar de toekomst. Wij zijn prof. Opdebeeck zeer erkentelijk voor het digitaal beschikbaar stellen van zijn bijdrage voor onze website.

- Bart Schalkx, begeleider summerschool

 

De actualiteit van de Rijke Jongeling 

 

Bijna 35 jaar geleden verscheen een uiterst vlot leesbaar boekje van de hand van de Nederlander Piet van Breemen. Op de flap leest men dat de auteur doctor in de wis- en natuurkunde is. Het boekje had als titel meegekregen: Als brood dat wordt gebro­ken, een mogelij­ke titel voor een publica­tie over christe­lijke economische hande­lingsmodellen. Want het gaat in deze titel over een van de meest primaire economische goederen -brood- en er wordt gesugge­reerd dat het er om zal gaan dit goed rechtvaardig te verde­len, te breken. Ik neem de vrijheid om het twaalfde hoofdstuk uit dit boek van Piet van Breemen, vrij te hertalen naar onze economie en samenleving toe. In dit hoofdstuk wordt op indrin­gende wijze het verhaal van de rijke jonge­ling becommen­ta­rieerd. Deze toont aan dat het inder­daad noodza­kelijk is in deze tijd de focus misschien niet té exclusief op de handelingsfase te plaatsen doch nà de zien-oordelen-handelen-fase, opnieuw een ziensfa­se op te nemen. Van het handelen dus terug naar het zien. Om pas dan met een werke­lijk fundamenteel ver­nieuwde blik, op een specifiek christelij­ke wijze de vele mogelij­ke hande­lings­mo­dellen op het beleids- en persoonlijk ­vlak aan te pakken.

Op zekere dag ontmoet Jezus een rijke jonge man voor wie het eeuwig leven een brandende kwestie was. De rijke jonge man had het gevoel dat deze ongewone rabbi het geheim er van wist. De jongeling gaat naar Jezus toe en vraagt: “Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven? Jezus antwoordde: Waarom noemt gij mij goed?” (Mc. 10: 17-18a). De jongeling vraagt op het eerste gezicht ook naar een handelingsmodel dus. Jezus laat zich niet verleiden door de aanspreking van ‘goede meester’, hij zoekt zijn eigen eer niet. Jezus verwijst onmid­del­lijk naar zijn Vader door te stellen dat niemand goed is dan God alleen. Maar onmid­dellijk beantwoordt hij echter ook de vraag van de jonge man door te verwijzen naar de geboden. Jezus somt hier niet de tien geboden op doch de zes geboden die tot de ‘tweede tafel’ van de deca­loog behoren: “Ge kent de geboden: gij zult niet doden, gij zult geen echt­breuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, gij zult niemand tekort doen, eer uw vader en uw moeder.”(v. 18b-19).

Handelingsmodellen in de lijn van het eeuwig leven bestaan voor Jezus in de dienst van God (niemand is goed dan God alleen) die gestalte krijgt in de dienst aan de medemens – de vermelde zes geboden. Wanneer we ons sociaal-economisch bestel van dichtbij bekijken dan zien we dat onze econo­mie op bepaal­de vooron­derstel­lingen steunt. Wanneer ook voor ons, zoals bij de rijke jonge­ling, het eeuwig leven een branden­de kwestie is en we onze economie aan een oordeel onderwerpen, dan komen die economi­sche vooronderstel­lingen in een ander daglicht te staan:

1. Allereerst redeneert men in de economische wetenschap alsof de economische activiteit los kan bekeken worden van gegevens als de menselijke behoeften, de natuur, de bevolking, de technologie enz.. Men stelt dat deze elementen niet aan verandering onderhevig zijn, zolang de economist dit niet expliciet in zijn theorie vermeldt. Zo worden de behoef­ten van de mens als einde­loos verondersteld. Aldus weefde men een krans van gegevens rond het economisch gebeu­ren. Men spreekt van een datakrans. Via wat mijn promotor Bob Goudzwaard reeds een datakransvooronderstelling noemde, doet men in de economie waarden als de mense­lijke bevolking en de natuur, onrecht aan. Men ziet ze bij wijze van spreken als te verwaar­lo­zen gege­vens(data), waardoor ze precies gaan verloe­de­ren. Het voorbeeld van de milieuvervui­ling spreekt hier boekde­len. We kunnen op de noodzaak wijzen om deze basisvoor­onderstelling om te vor­men tot een verant­woorde­lijk­heidskrans. Hierdoor kiest men ervoor om zijn verant­woor­delijkheid op te nemen tegenover de natuur, de bevol­king, de technologie enz. Het eerste gebod waarover Jezus het heeft met de rijke jongeling, namelijk ‘gij zult niet doden’, kan hier dus opgevat worden als: ‘gij zult [de natuur, de bevol­king] niet doden’.

2. Ten tweede zien we hoe het bevredigen van onze eindeloze behoeften centraal staat in de economie, waardoor we gecon­fron­teerd worden met onze schaarse middelen. Als alternatief zien we meer en meer de gewijzigde vooronderstelling van een economie van het genoeg naar boven komen. Hierdoor wordt het als zinvol gezien om onze be­hoeften niet eindeloos te laten opdrijven. In onze evangelie­perikoop worden we geconfronteerd met het gebod ‘ge zult geen echt­breuk plegen. Door ons niet te laten domineren door onze eindeloze behoef­ten vermijden we ‘economi­sche echt­breuk’ te plegen.

3. Ten derde stellen we vast hoe de econoom duidelijk voor ogen gehouden wordt zich niet bezig te houden met de vraag of bepaalde doeleinden al dan niet zinvol zijn. De doelstelling is een gegeven, zegt men in economie en het komt er op aan de middelen nu op een zo efficiënt mogelijke manier aan te wenden. Hiertegen­over kan men echter ook aangeven dat het een opdracht kan zijn voor de economie om de middelen en doelein­den juist tegenover elkaar af te wegen. De evangelieperikoop reikt ons bij deze afweging een zinvolle waarden parame­ter aan: ‘gij zult niet ste­len’: geen middelen ‘stelen’ om per se het winstdoel te berei­ken dus.

4. Vervolgens kunnen we de vooronderstelling om steeds maar op korte termijn nut centraal te plaatsen in economie, in vraag stellen. Ook andere behoeften zoals deze aan achting, respect, zich fundamen­teel bemind weten -om maar deze op te noemen- zouden een plaats kunnen krijgen binnen de gewijzigde basisvooronder­stellingen. Zoals de rijke jongeling te horen krijgt: ‘gij zult niet vals getuigen’, worden ook wij opgeroepen niet vals te getuigen over de menselijke behoef­testructuur. Een mens leeft niet van nut alleen.

5. Ten vijfde is het duidelijk dat het individu voorop staat in de economische calculus, om te bepalen of er al dan niet nuttigheid gecreëerd wordt. Daartegenover zouden veeleer de intermenselijke relatiescentraal kunnen staan met aandacht voor samenwerking en solidariteit in plaats van concurrentie, wil men de eenzijdige nutscalculatie overstijgen. Met de rijke jongeling horen we dat we niemand tekort mogen doen: ‘gij zult niemand tekort doen’.

6. Tenslotte laat het economisch mechanisme dat op alles en nog wat prijzen plakt, vrij spel toe aan onverantwoor­delijkheid en individualisme. Daartegenover kunnen we stellen dat het wenselijk is dat men in onze economie ophoudt alles naar de markt toe te halen. De evangelieperikope plaatst ons voor het gebod: ‘eer uw vader en uw moeder’: eer uw vader en uw moeder, respect-eer het dagdagelijkse werk van de huismoeder of huis­vader, respect-eer natuurreser­vaten, respecteer het menselijk leven, respecteer de menselijke liefde: plak er niet onmiddel­lijk zomaar prijzen op door met in­stellin­gen voor bejaarden af te komen, met een mogelijk monetair loon voor thuiswerkende huismoeders of huisvaders, met kosten-baten­analyses bij het neerpoten van bunga­lowparks in natuurreservaten enz..

 

Vragen ook wij in deze fin-de-sièclesfeer in feite ook niet vooral naar onze laatste en beslis­sende, naar onze unieke (christelijke) roeping, ook wat betreft ons economisch handelen?

 

Nadat Jezus onze rijke jongeling met deze zes geboden heeft geconfronteerd, antwoordde de jonge man: “Dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.” (v.20). Wanneer dus blijkt dat de jongeling dit allemaal heeft onderhouden van zijn jeugd af, wordt het ook duidelijker wat de jongeman precies zoekt. Eigenlijk vraagt hij niet alleen naar geboden of handelingsmodellen. Die kent hij en hij heeft ze altijd proberen te onderhouden. Funda­menteel vraagt hij naar het laatste en beslissende, naar zijn uniek-persoonlijke roeping in het leven. Vragen ook wij in deze fin-de-sièclesfeer in feite ook niet vooral naar onze laatste en beslis­sende, naar onze unieke (chris­te­lijke) roeping, ook wat betreft ons economisch handelen?

“Jezus keek hem liefde­vol aan.”(v.21). De liefde van de Vader wordt zichtbaar in de ogen van Jezus zoals Hij met een grondig vertrouwen en een warme sympathie deze jonge man aankijkt.

Het valt op dat deze paar regels in deze perikoop misschien wel als een scharniermoment te be­schouwen zijn. In deze enkele zinnen wordt sterk verwe­zen naar het belang van het zien: Jezus kijkt de jongeling liefdevol aan, de liefde van de Vader wordt zicht­baar in Jezus.

De vraag rijst of we hier niet zowat op het spoor komen van onze unieke christe­lijke roe­ping, ook wat betreft ons economisch handelen? Hebben wij nog wel zicht op de liefde van onze Vader, is die liefde voor ons nog wel zicht­baar, laten wij ons nog wel aankijken door de ogen van Jezus waarin precies de liefde van de Vader zichtbaar wordt? Zijn we wel voldoende vertrouwd met christelijke handelingsmodellen, christelijke bewegingen en theologie waar men op het spoor probeert te komen van die ogen van Jezus, of juister geformu­leerd, waarbij men de kans krijgt om dankzij de confronta­tie met de arme, met de kleine, zich -wat men dan heet- te laten aankij­ken door de ogen van Jezus?

Jezus kijkt de rijke jongeling aan en zegt: “Eén ding ont­breekt u; ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen.” (v.21). De armen: precies zij die ons op zo’n unieke wijze kunnen aankij­ken. Vanuit Jezus’ liefde komt deze uitnodiging -niet nog een gebod er bij- eigenlijk als een bijzondere gunst, een appèl dat meteen ook verwijst naar de zaligspre­kingen: zalig de armen! Jezus treft deze jonge man dus in zijn zwakste punt: het gaat om een rijke jongeling!

Eigenlijk blijven wij veelal lauwe of burgerlijke christenen. We zeggen wel dat we op een meer christelijke wijze economisch willen handelen, maar ergens dreigen we ons toch in te houden. Is een meer christelijk georiënteerde economie geen naïeve utopie­? Zou ik niet beter louter genie­ten van het leven zoals mijn vriend of buur? Waarom maak ik het me moeilijk? Is mijn jaarlijkse bijdrage voor Artsen zonder Grenzen niet voldoende? Moet ik per sé ethisch gaan beleggen? Ik werk toch hard voor mijn vrouw, kinderen of gemeen­schap… .

Jezus’ oproep aan de rijke jongeling om zijn goederen te verko­pen en de opbrengst aan de armen te geven “ontstelde hem en ontdaan ging hij heen, omdat hij vele goederen bezat.”(Mc. 10: v.22). Ook de apostelen waren teleurgesteld. Waarom liet Jezus hem zich niet eerst aansluiten bij de groep om dan geleidelijk van hen de armoede te leren? Hij laat zijn blik over zijn leerlin­gen gaan en zegt: “Hoe moei­lijk is het voor degenen die geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan!”. Dit is voor de postmoderne mens zeer verve­lende taal want hij kiest er bijna per definitie voor twee heren te dienen. Dit alles verbijster­de de leerlingen nog meer en ze zegden tot elkaar: “Wie kan dan nog gered wor­den?”(v.26).

Het is eigenlijk helemaal geen drama dat we het als chris­tenen niet meer zien zitten met onze economie en er geen beginnen aan zien. We doen zeker hier en daar – op persoonlijk vlak of in onze bewegingen – iets of juist zeer veel om op een meer christe­lijke wijze economisch te handelen. Maar als we dan denken aan het beleid, aan de politiek op gemeente­lijk, nationaal en inter­natio­naal vlak dan dreigen we zo vaak echt gemeend te wanhopen. Zoals bij het evangelie ervaren we al te vaak ook de onmogelijk­heid van de diver­se handelingsmodel­len – zeker op het beleids­vlak. Misschien is het pas wanneer we in deze fase beland zijn dat we het typisch christelijk aspect bij het beleven van moge­lij­ke (economische) handelingsmodel­len (her-)ontdek­ken. We kunnen het op eigen kracht niet klaar spelen. Of zoals Schille­beeckx het ooit in een interview zei: “Eind jaren zestig leefde er een groot optimisme dat de structuren van maatschappij en Kerk veranderd konden worden. Nu zien we in, dat die structu­ren veel taaier zijn dan we dachten. Moeten we daarom terugvluchten naar de godsdienst als troost? Ik vind van niet. Wie gelooft, mag het sociale en poli­tieke niet loslaten. Tegelijk is het christendom niet te reduceren tot ethiek en maatschappijkritiek. Daartegen heb ik me altijd verzet. De religieuze, christelijke eigenheid in het engagement mogen we niet uitvlakken. (…) Ondanks al onze inzet kan er een punt komen, dat je het niet haalt, dat je in gebreke blijft. Ik geloof in Gods Geest als ons dan aanvullend” [1].

Pas wanneer we opnieuw écht beginnen te zien zoals hierbo­ven beschre­ven, pas wanneer we dus in het gelaat van de kleine de liefde en de kracht van Jezus en dus van de Vader opnieuw begin­nen te proeven, krijgen we het specifieke begin van een christe­lijke manier van aanpakken. Distilleren huma­nisten of ecologisten trouwens niet precies de­zelfde pro­bleemge­bieden en reiken ze op het eerste gezicht eigenlijk ook niet dezelfde economische handelings­model­len aan zoals christenen dit doen? Handelingsmodellen kunnen misschien maar evange­lisch beleefd wor­den, wanneer we ons ten volle en telkens weer opnieuw laten aankij­ken door de mens geworden en ìn de mens zichtbare Heer. De vandaag de dag vereiste hande­lingsmo­dellen liggen uitein­de­lijk niet in de macht van de mensen, maar wel in die van God. Want voor God is alles moge­lijk.

[1] Hoogeveen, P., Maas, F., Ik hoop op nieuwe dingen, Een gesprek met Edward Schillebeeckx, in Tijdschrift voor Geestelijk Leven, 1994-2, maart-april, p.185

Prof. dr. Hendrik Opdebeeck

Opdebeeck was werkzaam bij het Nationaal Fonds voor Wetenschap­pelijk Onderzoek. Hierna werd hij aan de Univer­siteit Antwerpen achtereenvolgens aangesteld voor de vakken Economie, Maat­schap­pij en Christendom, Ma­cro-econo­mie, Per­so­neelsma­nagement en ethiek, Filosofie van de Economie en Techniekfilosofie. Hij is er tot op heden verbonden aan het Centrum voor Ethiek.

Prof. dr. Hendrik Opdebeeck (1955) promoveerde tot doctor in de Economi­sche Weten­schappen aan de Rijksuniversiteit Gent en behaalde het bacca­lau­reaat in de Thomistische Wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit Leuven.