Weten, doen en hopen...

Weten, doen en hopen...

Door Peer Elshout

Overdenkingen bij drie webdebatten

Zes webdebatten over ’De wereld na corona‘, georganiseerd door de Beweging van Barmhartigheid. De eerste drie hebben we gehad met achtereenvolgens de Belgische hoogleraar Paul Verhaeghe, oud-politicus en schrijver Jan Terlouw en ecoloog-filosoof Matthijs Schouten. In die drie debatten stond vooral de klimaatcrisis centraal. Wat leren die debatten ons?

De Duitse filosoof Immanuel Kant bedacht ruim tweehonderd jaar geleden drie vragen om antwoord te krijgen op de vraag wat de mens is. Die drie vragen luiden: I - Wat kan ik weten, II - Wat moet ik doen en III - Wat mag ik hopen? Als we die vragen stellen over - en ook misschien wel áán - een wereld die onderhevig is aan klimaatverandering - de Franse filosoof Bruno Latour gebruikt het woord ’mutatie‘ in plaats van ’verandering‘ om daarmee aan te geven dat er iets onomkeerbaar, iets permanent veranderd is - dan kunnen we zonder al te veel moeite een samenhang in de antwoorden van de drie webdebatgasten ontdekken.
Ik nodig u uit mij te volgen...
 
I - We passen de eerste vraag van Kant toe op de klimaatcrisis. We kunnen weten dat we (= de mens) die zelf veroorzaakt hebben. Schouten gebruikte de term 'antropoceen' waarmee bedoeld wordt het tijdperk waarin we nu leven, het tijdperk waarin de mens de dominante factor is en er - naar mijn mening - in een aantal opzichten een flinke puinhoop van gemaakt heeft. Verhaeghe stelt dat we kunnen weten dat ons economisch systeem verrot is. Hij ziet dat als de hoofdoorzaak van alle problemen, zeker ook van de klimaatverandering. Terlouw denkt dat veel mensen nog niet écht weten hoe groot en dringend het klimaatprobleem is. Wat dat betreft heeft hij de Britse filosoof Timothy Morton aan zijn zijde die stelt dat het klimaatprobleem zo groot en complex is - hij noemt het een hyperobject - dat wij het niet in zijn geheel kunnen overzien; het is in al zijn aspecten te groot voor het menselijk bevattingsvermogen.
 
II - ’Wat moet ik doen?‘ is de tweede vraag van Kant. Die vraag werd in de drie debatten nadrukkelijk gesteld en zowel Verhaeghe, Terlouw en Schouten tillen de vraag naar het niveau van het politieke handelen. Zelfs oud-politicus Terlouw neemt het de politiek kwalijk dat ze niet flink genoeg is in de aanpak van het klimaatprobleem. Verhaeghe staat voor een andere vormgeving van de democratie, terwijl Schouten - die de politiek veel te veel traagheid verwijt - vooral licht ziet in bewegingen die van onderaf druk zetten, die mobiliseren zoals Greenpeace en Extinction Rebellion.
De al eerdergenoemde filosoof Bruno Latour pleit voor een parlement der dingen. In dat parlement dat besluiten neemt over politiek-maatschappelijke kwesties, hebben ook niet-menselijke entiteiten een stem. Daarmee krijgt de mens er een gesprekspartner bij: de natuur!
De Australisch-Britse filosoof en politicoloog Roman Krznaric lanceert in zijn boek 'De goede voorouder - Langetermijndenken voor een kortetermijnwereld‘ het benoemen van een commissaris voor de toekomst in raden van bestuur. Ik zou daaraan willen toevoegen: de regering kent vanaf nu ook een Minister voor de Toekomst. Die bewindsman krijgt een vetorecht en moet ieder regeringsbesluit toetsen op de implicaties ervan voor de toekomst indachtig het categorisch imperatief van de Duits-Amerikaanse filosoof Hans Jonas dat luidt: ’Handel zo dat de gevolgen van je handeling niet in strijd zijn met de duurzaamheid van het echt menselijk leven op aarde‘.  Dat categorisch imperatief van Jonas is een uitbreiding van dat van Kant dat je vrij vertaald als volgt zou kunnen formuleren: ’Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet‘. Jonas wilde die leefregel boven het hier en nu uittillen en er de toekomst in betrekken. Dat is meer dan ooit nodig, de mens heeft immers zelf zijn toekomst op spel gezet. Ik zou overigens de laatste zes woorden van de leefregel van Jonas (het echt menselijk leven op aarde) - hij is nog te antropocentrisch - willen vervangen door: alle leven op aarde...
En natuurlijk moeten we hier en nu wat doen en dat kan onmiddellijk! Geen vlees meer eten, tegels uit de stoep halen, bloemen planten, regentonnen plaatsen, de auto aan de kant zetten, afval scheiden, een dikkere trui aan als je het koud hebt in plaats van de thermostaat hoger, je huis isoleren, biologische producten eten...
 
III. Verhaeghes antwoord op Kants derde vraag ’Wat mag ik hopen?‘ is: een betere samenleving waarin een goed leven het hoofddoel is en die gericht is op duurzaamheid. Terlouws hoop betreft een leefbare wereld voor onze kinderen en kleinkinderen. Schouten wil dat wij de relatie mens en natuur herzien; het idee dat we de baas zijn van en over de natuur moeten we overboord zetten, het idee dat we partners zijn van de natuur moeten we omarmen.
Alledrie hopen op een betere toekomst en alledrie hopen ze dat er snel stappen gezet worden, want anders is het te laat - zo het al niet te laat is... Maar vooruit: enig optimisme in zo’n belangrijke kwestie mag er zijn, want ’Waarom zou je anders nog je bed uitkomen?‘ (dicit Schouten).
En nee, ervan uitgaan dat de techniek alle problemen te zijner tijd wel zal oplossen, zoals bijvoorbeeld de Vlaamse filosoof Maarten Boudry en de Nederlandse journalist/schrijver Ralf Bodelier doen, is een wensdenken, een ijdele hoop die gebaseerd is op het ontkennen van de realiteit, op het negeren van verantwoordelijkheid, op het kunnen blijven uitblinken in hebzucht en overdadig consumentisme.
 
Peer Elshout, januari 2021, Tilburg
Met dank aan Nettie Raeijmaekers en Maria Werkhoven