Hebe Kohlbruggeover: Bruggenbouwster over een diepe kloof van haat
Interview

Hebe Kohlbruggeover: Bruggenbouwster over een diepe kloof van haat

Door Tanny van de Ven

Kras, krachtig, kritisch. Klein van stuk, groot van inhoud. Wars van opsmuk en heldendom. Bijna een eeuw oud. Twee keer heeft interviewster Tanny van de Ven een gesprek met Hebe Kohlbrugge gehad. Eén keer in het kader van de tentoonstelling Ogen van de Oorlog op Nationaal Monument Kamp Vught. Daarna voor de Beweging van Barmhartigheid. De twee interviews zijn hier samengevoegd.

Duitsland

“Toen ik in 1936 naar Duitsland ging voor die opleiding zag ik al snel de invloeden van het Nationaal Socialisme. Ik zag waartoe een totalitair systeem leidde. Even snel als dat de vlam in mij was ontstoken, doofde die weer, toen ik zag wat het allemaal inhield”. In Duitsland, waar toen al maatregelen tegen de Joden waren, hebben een aantal predikanten, onder wie de theoloog Niemöller, de hoofden bij elkaar gestoken om te kijken wat ze konden doen. In eerste instantie wilden zij opkomen voor hun Joodse collega’s, die ineens niet meer mochten preken. Maar al snel was het ook nodig om op te komen voor de andere Joden, die met steeds meer ‘pesterijen’ te maken kregen. Hieruit is de Belijdende kerk ontstaan, binnen het raam van de grote, protestantse kerk.

Zwart-wit gesteld zou je kunnen zeggen dat de Belijdende Kerk is ontstaan vanwege de opkomst van Hitler en zijn systeem. Duitsland moest, meteen vanaf het begin van de opkomst van Hitler, een kern krijgen die duidelijk en uit de grond van hun hart “Nee!” zei. De Belijdende kerk heeft veel kunnen doen voor de Joden in Duitsland. Meteen al de dag ná de Kristalnacht heeft Gollwitzer op de preekstoel gezegd:  “Kan ik eigenlijk nog wel preken in een land waar dit gebeurt? Hoe kan ik geloven dat hier nog een Christelijke kerk is?” Mensen kwamen in verzet en probeerden Joden te laten onderduiken, spullen te bewaren, om de Joden te laten voelen dat niet alle Duitsers gek waren geworden, dat we achter ze stonden. Natuurlijk hebben we voor veel mensen té weinig kunnen doen.

Waarom de Joden vervolgd werden, waarom er steeds antisemitisme is geweest en het er nog steeds is? Omdat het Joodse volk het uitverkoren volk is en dat kunnen veel mensen niet hebben. Jaloezie. Voor de Joden zelf, tijdens het aardse bestaan, zou je kunnen zeggen dat het soms een straf kan zijn tot het uitverkoren volk te horen. Antisemitisme is er ook omdat er onder de Joden veel intellectuelen zijn. Kijk maar eens hoeveel Nobelprijswinnaars zich onder hen bevinden. Ook dat schept jaloezie. Ook ik kwam, via bijbelavonden, in contact met Niemöller. Zijn preken en zijn verzet waren geestelijke voeding voor mij. Ik ging werken in Fehrbellin bij het jeugdwerk. Toen me dat onmogelijk werd gemaakt ging ik stencils met preken van Niemöller rondbrengen. Ik werd ‘gesnapt’ en gevangen genomen. In Potsdam. Ook Niemöller en vele anderen werden gevangen genomen. Na een korte tijd werd ik vrijgelaten en ‘für ewig’ Duitsland uitgezet.

 

'Het Oude Testament is van hen en van ons.'

 

Nederland

Toen Duitsland Nederland binnenviel was het voor mij vanzelfsprekend om opnieuw in verzet te komen. Ik werd gevraagd door Jan Koopmans om de brochure Bijna te laat, over de Ariër-verklaring, door heel Nederland te verspreiden. Met deze verklaring had ik in Duitsland al kennis gemaakt. Koopmans had het standpunt dat je een totalitair systeem nóóit zou moeten dienen, omdat dat een beslag kan leggen op je geweten. Wat voor hem absoluut duidelijk was, was dat Joden en Christenen bij elkaar hoorden. Het Oude Testament is van hen en van ons. En als Hitler de ene groep zou pakken, pakte je ons ook. Vreemd genoeg hoefden de mensen die een aanstelling hadden in de kerk geen Ariër-verklaring te tekenen. Helaas tekenden zeer velen in Nederland de verklaring wel. Door dat papiertje te tekenen gaf je toe: “Ik niet, zij wel”. En zo konden de Duitsers de Joden eruit halen, herkennen.

In Nederland ben ik gestart met illegale brochures. Het verzetswerk werd daarna steeds uitgebreider. Er bleek contact met onze regering in Londen noodzakelijk te zijn. Toen ben ik naar Zwitserland op en neer gaan reizen. De Zwitserse weg. Ik smokkelde microfilms met strategische gegevens via België en Frankrijk naar Zwitserland. Een verbindingsweg tussen het verzet in Nederland en de regering in Engeland. In april 1944 wilde ik via België en Frankrijk naar Spanje om van daaruit naar Engeland te gaan, maar ik werd in de trein gearresteerd, omdat mijn valse identiteitsbewijs een minimaal afwijkende kleur papier had. Normaal gesproken kwam ik overal doorheen met dat paspoort, maar nu had ik de pech dat iemand erg kleurgevoelig was. Er werd een agent, met de rug naar me toe, voor de deur gezet. Hierdoor kreeg ik de mogelijkheid om de microfilms die ik bij me had bij een medepassagier in de jaszak te laten vallen.

Ik kwam terecht in het Oranje Hotel in Scheveningen. Soms zat ik alleen in de cel, soms met meerderen. Daar had ik veel tijd om na te denken. Ik had niet zozeer angst voor mezelf, maar veel meer had ik de angst dat ik gemarteld zou worden en door zou slaan. Ik zat namelijk al erg lang in het verzet en kende dus vele namen en organisaties. Áls ik door zou slaan zou dat voor héél veel mensen consequenties hebben. Het gevaar om mijn vrienden te verraden gaf me de grootste angst. Gelukkig ben ik niet gemarteld, want ik weet niet hoelang ik het volgehouden zou hebben. Ik was dus intensief aan het nadenken om dat te voorkomen en kwam tot de conclusie te proberen ‘Rijksduitse’ te zijn en mijn illegale naam Christine Doorman te handhaven.

Gelukkig zijn ze niet achter mijn ware identiteit gekomen, want dan had ik beslist de doodstraf gehad. Nu kreeg ik tien maanden celstraf, omdat ze geloofden dat ik ‘Reichsdeutsche’ was. Tien maanden was een grapje, na alles wat ik gedaan had. Na ‘für ewig’ uit Duitsland verbannen te zijn zou ik nu ‘für ewig’ uit Nederland verbannen worden. Mijn ouders wisten al die maanden dat ik in het Oranje Hotel zat, niet waar ik was. Ik heb toen een medegevangene, die ontslagen werd, een briefje meegegeven. Zo heb ik mijn familie kunnen laten weten waar ik was en wié ik was. Zéér risicovol, voor ons allebei. Maar gelukkig is het gelukt. Mijn zus herkende meteen mijn handschrift. Ik heb daarin ook gezegd dat ze me niet zouden moeten zoeken en bevrijden, want dan was er opnieuw een kans dat mijn identiteit kenbaar zou worden. En vrienden zouden verraden kunnen worden. Zo wist mijn familie dat ik opgepakt was onder de naam Christine Doorman. Brieven schrijven mocht daar niet, maar ik had altijd een potloodpuntje in mijn hemd zitten en offerde met plezier één van mijn drie velletjes toiletpapier op om dit briefje te schrijven. Vanuit Scheveningen werd ik doorgestuurd naar Vught.

Kamp Vught

Vught, waar ik kampkleding en klompen aan kreeg. En waar ik een nummer kreeg, maar geen nummer wérd. Ik kwam in eerste instantie in de naaikamer terecht, maar ondanks dat ik echt mijn best deed om te leren naaien, bracht ik daar niets van terecht. Toen moest ik sokken gaan stoppen. Weet je hoe erg dat is als je tien uur per dag sokken moet stoppen? Gelukkig heeft dit niet lang geduurd en kwam ik in de ziekenboeg terecht, omdat op mijn papieren vanuit Scheveningen stond dat ik verpleegster was. En daar heb ik het écht leuk gehad, met nog drie andere verpleegsters. We mochten in Vught pakjes ontvangen, terwijl er toen al een tekort aan alles was in het Noorden en we kregen erg veel suiker, waarmee één van de verpleegster borstplaat maakte. Ik heb nooit meer zo’n heerlijke borstplaat gegeten.

Onze ‘Aufseherin’, een aardig eenvoudig meisje uit Rotterdam, had verkering gekregen met een S.S.-er en wilde met hem trouwen. Maar daarvoor moest ze eerst naar een opvoedingsgesticht en zo was ze in Kamp Vught terecht gekomen. Hier schrok ze vreselijk van de omstandigheden en hielp ons dáár waar mogelijk was. Als ze naar de ziekenboeg kwam stampte ze altijd erg hard met haar laarzen, zodat we alles konden verstoppen wat illegaal was. Haar heb ik, omdat zij mij vroeg waarom ik in Vught ‘zat’, als enige in Kamp Vught mijn verhaal verteld. En daarna kreeg ik opnieuw angst. Angst dat zij mij zou verraden. Het zou haar zeker veel voordeel hebben opgeleverd als zij bekend zou maken wie ik was en als ik alsnog vrienden zou verraden. Maar ze bleek te vertrouwen te zijn.

Omdat ik alleen haar voornaam kende, heb ik haar nooit meer op kunnen sporen. Ik zit nog vaak aan haar te denken. Hoe zou het haar vergaan zijn? In Vught mochten we ook één keer per maand een brief schrijven. Ik schreef dan aan mijn ouders onder de aanhef “Beste vrienden”. Want ook in Vught zat ik natuurlijk onder mijn schuilnaam Christine Doorman. Dus mijn ouders stuurden mij brieven onder die naam. De inhoud was vaak nietszeggend, maar we wisten van elkaar dat alles duidelijk was. In de tweede brief die ik schreef, vroeg ik om bloemen. Mijn ouders en zus dachten in eerste instantie dat het een code was. Uiteindelijk kreeg ik het mooiste cadeau wat ik kon krijgen. Verse bloemen uit onze eigen tuin. Lila asters en hanenkammen. Die bloemen waren voor mij toen héél belangrijk, evenals de ansichtkaart die ik van mijn vader ontving met een Duits gedicht.

“Ich pfeif mein Lied,
bin seelenfroh,
Der Vogel trillert ebenso”.

Dat gedicht beschermde mijn identiteit en het toonde mij het positieve meeleven. Dat was voor mij zó’n oppepper. Ik wist…. mijn ouders blijven flink, dus ik moet ook flink blijven.

 

'Ondanks alles wat er gebeurde in Ravensbrück… toch ben ik dankbaar dat ik dit meegemaakt heb.'

 

Ravensbrück

4 September 1944. Dolle Dinsdag. Bijna alle vrouwen werden in veewagons naar Ravensbrück getransporteerd. Ik was samen met de zieken, waardoor we met minder mensen in één wagon zaten. Wij hadden het moeilijk, maar niet ondraaglijk. De andere vrouwen hadden het vreselijk. Ergens in Duitsland heeft een soldaat ook nog een gat in onze wagon geslagen, waardoor we meer licht en lucht kregen. En hij zette ook nog snel een emmer water binnen. Het ging zó snel dat we hem niet eens konden bedanken.

In Ravensbrück heb ik als verpleegster gezorgd voor de baby’s die daar geboren werden. Er stierven er net zoveel als dat er geboren werden. Het meest vreselijke was dan om die baby’s naar de verbrandingsoven te moeten brengen. Dat is iets wat ik nooit meer vergeet. Zeker als je weet dat de moeder alles en iedereen al verloren heeft en dan ook dit nieuwe leven moest afgeven. En het gegil van de vijf- tot twaalfjarige Roma- en Sintimeisjes, die zonder verdoving werden gesteriliseerd.

Maar ik was ook getuige van een prachtig concert. Zondagmiddag was vrij. De meesten kropen doodmoe in bed. De Tsjechische communistische vrouwen organiseerden in het washok een concert. Een groep zingende meisjes en een operazangeres. Het leek mij het mooiste wat je denken kunt. Het was even weg uit het Kamp. Je ziet en hoort dan het absolute mooie en het absolute slechte. Dat brengt het geheel niet in balans, je beleeft elke dag opnieuw.

Dit alles geeft je ongelooflijk veel te denken en dat is onder die extreme omstandigheden goed. Hoe raar het ook moge klinken: ondanks alles wat er gebeurde in Ravensbrück… toch ben ik dankbaar dat ik dit meegemaakt heb. Het is voor mij één grote scholing geweest. Daar heb ik ongelooflijk veel geleerd en dat is tijdens mijn latere leven in het Oostblok van zeer groot belang en van grote waarde geweest. Het moeilijke werk in het Oostblok had ik niet kunnen doen zonder de leerschool Ravensbrück. Daar heb ik gezien hoe de ‘partij’ handelde, ik heb er mensenkennis opgedaan en geleerd. Geleerd wat corruptie en connectie betekenden. En bovenal wat vriendschappen betekenen. Zonder die vriendschappen en de connecties redde je het daar niet.

Na tien maanden werd ik plotseling vrijgelaten. Ik had mijn straf uitgezeten. Het pünktliche systeem van de Nazi’s werkte nog perfect. Ik moest dus mijn Tsjechische vrienden in de steek laten. Mijn Tsjechische vrienden die me hadden gered toen ik met 40 graden koorts tussen de tyfuspatiënten lag en ze me daar weghaalden en in een eigen bed legden. En die me warme kleren hadden gegeven, toen ik in de vrieskou op appèl moest staan. Zij zaten al jaren in concentratiekampen en kenden het klappen van de zweep. Via allerlei omwegen, Berlijn, via via naar Groningen, ben ik weer in Amsterdam terecht gekomen, waar mijn zus was. Wat was dat een weerzien. Een dag later zag ik mijn ouders. Mijn vader, die doodgeschoten zou worden, als hij niet zou zeggen waar ik was. De man die had moeten schieten zag dat mijn vader een hoog lintje had van het Duitse Rode Kruis, voor het verlenen van veel hulp aan Duitse hongerkinderen na de eerste wereldoorlog. Toen zei de man: “Dann schiesse ich nicht”. Ná de oorlog ben ik twee jaar naar Zwitserland gegaan om te genezen van tuberculose.

Het Oostblok

Vanaf 1949 heb ik veel in het Oostblok gewerkt. Hier kreeg ik opnieuw te maken met een totalitair systeem. Ik was geschokt, omdat ik me het communisme totaal anders voorgesteld had. Toen ik zag wat het voor de mensen daar betekende, kon ik hen niet meer in de steek laten. Ik kreeg, na de teleurstelling van het Nationaal Socialisme, opnieuw te maken met een grote teleurstelling. De vrienden, die in Ravensbrück letterlijk mijn leven hadden gered, konden en mochten nu ineens niet meer openlijk met me spreken. Iedereen controleerde de ander. Er heerste angst, er was geen echte communicatie mogelijk. In het kamp was er alles, nu was er ineens niets meer. Ik ging opnieuw vechten, in het verzet tegen een totalitair systeem. Ik wilde geestelijke steun bieden aan monddood verklaarden en ik wilde de mensen daar een hart onder de riem steken. Zoals bij de Joden in de tweede wereldoorlog.

Weten van elkaar

Het ging me toen tijdens de oorlog en tijdens het communisme om de zaak van vrijheid en waarheid, gefundeerd in het christelijke geloof. Contacten en netwerken kunnen een grote rol spelen om elkaar in Oost en West te helpen staande te blijven. Ik heb conferenties georganiseerd met Nederlandse, Zwitserse, Franse en Engelse theologen en een twintigtal theologen uit de D.D.R., zodat we ideeën uit konden wisselen en van elkaar te weten kwamen wat er gebeurde in Oost en West. Een volledige uitwisseling. Dat was heel intensief. En ik heb vele theologiestudenten voor één of twee jaar naar deze landen gestuurd om de dialoog aan te gaan en de mensen te laten weten: “Wij laten jullie niet in de steek”. Zij wilden tegen ons aan praten, een klankbord vinden. Omdat de studenten als theologen en als dominees met velen in contact konden komen konden zij netwerken en contacten leggen. Het werkte als een olievlek.

Voor de Stasi bleek ik ‘ongrijpbaar’ te zijn. Dat heb ik later, ná de eenwording, in mijn papieren gelezen. Ze konden me niet betrappen op spionage. Ik ging ‘gewoon’ naar mensen; dat ik ging om contacten te leggen dat snapte de Stasi niet. Dat kenden ze namelijk zelf niet. Het ‘er zijn’ van de theologen en studenten was ongelooflijk belangrijk voor de onderdrukten.

Het zien van de ander

Ik deed dit werk vanuit het gevoel van het ‘heilige moeten’ zonder teveel nadruk op het woord heilig, maar ik weet er geen beter woord voor. Normaal gesproken zijn er zóveel dingen die je eigenlijk zou moeten doen, maar ze eigenlijk niet doet, en dan is het  té laat. Dus…. je moet het gewoon dóen. Vooral de zaken die dieper gaan en zwaarder wegen. Je doet dat niet altijd even bewust. Soms gebeurt het in een split second. Je kúnt niet anders, zeker niet als het om principiële keuzes gaat. Dat is wat ik bedoel met het heilige moeten. Van hieruit het ZIEN van de ander. Zoals de Beweging van Barmhartigheid de spreuk heeft: ‘Zien, bewogen worden, in beweging komen’, zo schrijf ik in mijn boek Twee maal twee is vijf: “Elk gesprek zal de spreker en de luisteraar veranderen, alleen al door de eenheid die tussen beiden is gegroeid. Spreken, horen en dan denken. Horen naar elkaar, dat ‘doet iets’!”


Zowel voor het verzetswerk als voor het werk in de voormalige Oostbloklanden heb ik verschillende onderscheidingen ontvangen, zoals de Bronzen Leeuw en de Medal of Freedom, maar in mijn gedachten deel ik ze met al die anderen, die deze onderscheidingen evengoed hebben verdiend. Zoals bijvoorbeeld mijn zus, die evenveel voor het verzet heeft betekend als ik. Van de universiteit van Praag kreeg ik een ere-doctoraat. Ik werd geëerd als ‘een bruggenbouwster over de diepe kloof van haat’. Dat vind ik wel een mooie omschrijving voor het werk wat ik daar, samen met anderen, heb gedaan.

Hebe Kohlbrugge

Nationaal Monument Kamp Vught bracht in 2012 een eerbetoon aan de oud-gevangenen van Kamp Vught met de expositie ‘Ogen van de oorlog’. Hebe Kohlbrugge was de oudste geportretteerde.

Hebe Kohlbrugge (1914) verbleef in Nazi Duitsland, kwam in het verzet in Nederland en werd gevangen genomen en naar Kamp Ravensbrück overgebracht. Na de oorlog deed ze werk voor de kerken in het Oostblok.