Essay

Zachtmoedigheid en Kracht

Essayist: Annewieke Vroom

Overweging, gehouden op 3 januari 2016 in de Dominicuskerk te Amsterdam.

Lezingen:
Lukas 10:25-37, De Barmhartige Samaritaan. Lingzhao en Pang:

Op een dag waren boer Pang en zijn dochter Lingzhao op pad om bamboemanden te verkopen. Op de terugweg passeerden ze een bruggetje. Op het moment dat Pang ervan af stapte, struikelde hij en viel. Toen Lingzhao dit zag, rende ze naar haar vader toe en wierp zich plat naast hem op de grond. ‘Wat doe je?! zei Pang. ‘Ik zag je vallen,’ zei Lingzhao, ‘dus ik help’. ‘Gelukkig maar, dat niemand het zag’, zei Pang, en hij knipoogde.

Er is een nieuw jaar begonnen. Het ligt grotendeels nog onbetreden voor ons, als een wijds landschap met een dik pak sneeuw erover. Zoals ze in Noorwegen te vinden zijn. Nog schoon van voetsporen. Plannen liggen er, en gehoopte reisgenoten om ze mee uit te voeren. Gevreesde reisgenoten ook, misschien. Wij hopen op een heel jaar, maar of wij echt een jaar hebben, of slechts maanden, weken, dagen – dat is ons onbekend. Dat maakt het een teer geschenk, de tijd van leven. Maar wij hebben vandaag. Wat doen wij daarmee? Wat voor tocht zetten wij in, alleen en met elkaar? De metafoor van de reis is een geliefde binnen de religies. Ook de twee verhalen die wij hoorden, bevatten het beeld van de reis.

Lingzhao en haar vader komen van de markt, ze hadden bamboemanden verkocht, en gaan op huis aan. En de gelijkenis over de Samaritaan speelt zich af op de weg van Jeruzalem naar Jericho. Maar in beide verhalen ligt de focus niet op de bestemming, maar op wat er onderweg gebeurt. Op hoe de mensen, die bedrijvig bezig zijn hun leven te leven, nuttige zaken verrichtend, reageren op wat hen ondertussen overkomt.

Zo komen wij bij een eerste parallel tussen het boeddhistische en het christelijke verhaal: ze getuigen van de schok van de werkelijkheid die inbreekt. Onverwacht ligt er een gewonde man naast de weg; plotseling smakt de oude Pang voorover. Misschien is het juist de schok van de gebeurtenis die zowel Lingzhao als de Samaritaan aanzet tot hun zachtmoedigheid en kracht. En dat is de tweede parallel: zonder lang te wikken en wegen komt daar een goed hart tevoorschijn, een wijs hart.

Het zou zomaar kunnen, dit jaar, dat u daden vanuit een goed hart zult begaan. Sterker nog, ik denk dat het moeilijk te vermijden is. Zachtmoedigheid hoort bij de mens, zoals ook kwaadaardigheid. Een knap mens die er in 2016 aan ontkomt, om als vanzelf zachtmoedig te handelen, al is het af en toe; tegen een huisdier, een onbekende, of tegen een geliefde. Alles wat ervoor nodig is – is een wakker moment. Lingzhao en de Samaritaan tonen ons in hun spontaniteit twee vormen van zachtmoedigheid. Laten wij daar wat beter naar kijken.

Lingzhao ziet haar vader op de grond smakken. Ze snelt ernaar toe en werpt zich naast hem neer. Het zal vader Pang verbaasd hebben. Is ze knettergek geworden? Of is het wijsheid? Zoals vaak in zenverhalen, stelt Pang dan een vraag, die het verschil tussen wijsheid en dwaasheid moet vaststellen. ‘Wat doe je?’, vraagt hij. ‘Ik zag je vallen, dus ik help’, antwoordt Lingzhao eenvoudig. Lingzhao helpt niet op een gebruikelijke manier, door haar vader de hand te geven en omhoog te helpen. Zij laat hem zien: wij zijn niet-twee. Een moment is ze, en dat is de symboliek van het verhaal, één met haar vader. Ze redt hem niet. Ze bevrijdt hem niet uit zijn valpartij, maar uit zijn eenzaamheid. En daarvoor smijt ze zich letterlijk op de grond. En dan liggen ze daar. En, (de hemel zij geprezen), Pang begrijpt haar, en hij ontvangt haar toenadering. Dat doet hij met een knipoog,  volgens de commentaren, als hij zegt, “Gelukkig dat niemand het zag”.
Wat Lingzhao doet,  gaat tegen de alledaagse moraal in, en wie zal dat begrijpen? Pang begrijpt het. Samen kijken ze door de conventies heen, van hart tot hart.

Ook in het verhaal over de Samaritaan wordt de alledaagse moraal getart.  De priester, die de schriften en dus goed en kwaad toch zo goed kent, loopt door. De Leviet, die in dienst is van de tempel, loopt door. De Samaritaan, een vreemdeling, laat zich wakker schudden. En dan gebeurt het, de kern van de parabel: hij wordt een naaste. Hij doet dit anders dan Lingzhao. Hij steekt de handen uit de mouwen. Een ware probleemoplosser – en op het goede moment.  Hij vervolgt zijn weg na te doen wat nodig is. Maar aan zijn pragmatisme ging ook iets vooraf. Hij wordt innerlijk tot ontferming geroerd, staat er, en het woord dat gebruikt wordt betekent eigenlijk: hij voelde het tot in zijn ingewanden, in zijn baarmoeder. Ook hij was diep verbonden, niet in zijn hoofd maar zijn lijf, en het gebeurde voor hij het wist. In zijn hart lag ook hij op de grond. En de gewonde man, die geeft zich over aan de handen van de Samaritaan.

 

Het gaat om het bevrijden van de intimiteit die er is tussen mensen.

Het gaat, zoals een zen lerares zegt,  over het verhaal van Pang en Lingzhao, om het bevrijden van de intimiteit die er is tussen mensen. Met een vader, een vriend, een geliefde kunnen wij dat anders doen dan met een vreemde, maar in alle gevallen is er de mogelijkheid te bevrijden wat er aan intimiteit reeds is tussen alles wat leeft. De intimiteit wordt aangebroken kun je ook zeggen, want ze lag te wachten. Zo treedt men toe tot het veld van de genade.

Dat gaat als vanzelf en niet alleen bij mensen . Frans de Waal vertelt in zijn boek ‘Een Tijd voor Empathie’ over een bonobo die een vogeltje vindt, die tegen de ruit is gevlogen. Het vogeltje ligt stil op de grond. De bonobo pakt hem met de ene hand op, klimt met de andere arm een boom in – en spreidt zachtjes de vleugeltjes van de vogel uit. Vliegen, maar. Natuurlijk hebben dieren vele kanten,  net als mensen. Maar het punt is, dat de verbondenheid tussen levende wezens zeer diep gaat. Wat intimiteit betreft zijn wij overigens vreemde wezens: soms is het nog het moeilijkst bij de mensen van wie we houden. Waarom eigenlijk? Het lijkt alsof het ons schrik geeft – de diepte van de intimiteit die er mogelijk is. Alsof we bang zijn er nooit meer uit te komen. Een doodeng scenario natuurlijk. Straks richten we onszelf nog te gronde met onze zachtmoedige neigingen. Wij kunnen het ook niet altijd maar aangaan. Een beer heeft een winterslaap nodig om in de zomer goed te kunnen leven. Kiezen voor of tegen de verbinding – dat is onze vrijheid. Het leven is niet aan ons gegeven onder bepaalde voorwaarden -het staat echt helemaal tot onze beschikking. En in die vrijheid zit de kracht. De vrijheid te doen wat echt uit lijf en ziel opkomt, geeft de kracht om ook te verdragen wat moeilijk wordt. En als wij onze kans een keer laten liggen, of we slaapwandelen er aan voorbij, hoeven we er niet te mismoedig over te doen. Christenen alsook boeddhisten zien in de wereld duizenden handen van liefde die helpen te bevrijden. Deze zachte kracht, door beide religies opgemerkt, is diep verweven met de handen van de levende wezens, maar niet alleen met die van mij of die van u. En dat is het heuglijke inzicht, van die intimiteit tussen alles wat leeft: niemand is hier in zijn of haar eentje om de boel te dragen. Al lijkt het zo – al kan het gruwelijk diep zo lijken.

Mogen wij het wagen, dit jaar, ons hart volgen als het diep geraakt wordt, en ook: de benen nemen als dat niet het geval is. Wij hoeven niet te lijden aan een Samaritaan-syndroom: van alles maar op te moeten pakken. We kunnen kiezen voor wat ons hart wil. Kansen genoeg, voor wie wakker is.

Mogen wij op die manier zorgen voor dat tere geschenk van de levensdagen van onszelf en van anderen.

Heb jij ook zo'n moment van een-zijn meegemaakt?