essay

Nooit genoeg en toch in overvloed voorhanden

Essayist: Nico Tydeman

‘Hoe ondenkbaar, onbegrijpelijk en wonderbaarlijk is deze wereld! Door wat worden wij aangeraakt en wat raken wij hier en nu aan?’

Inleiding

Het Sanskriet woord ‘karuna’ is in het boeddhisme een sleutelbegrip. De gehele leer en alle praktijken staan in het teken van het voortbrengen van karuna. Meestal vertaald als compassie, klinken er vele andere betekenissen mee: een zacht gevoel voor anderen, vriendelijkheid, medelijden, mededogen (vergelijk het middeleeuwse mededhogen, mede-dulden, mede-ondergaan), zorg, betrokkenheid, liefde, gerechtigheid, barmhartigheid, solidariteit, verantwoordelijkheidsgevoel, zich aangesproken weten. Een mooie omschrijving zou kunnen zijn: karuna is het vermogen je in de plaats van een ander te stellen. Karuna of compassie ontstaat op natuurlijke wijze. Wie een ander ziet lijden, voelt het verdriet mee, ook al staat men er machteloos tegenover, niet in staat de pijn te verzachten of zonder de woorden te vinden die troost kunnen bieden. Het lijden van een ander raakt ons en we wensen dit lijden op te heffen of op zijn minst de ander te steunen. Is deze natuurlijke aanleg een overvloedig reservoir waaruit we eindeloos kunnen putten of is zij gebonden aan grenzen en beperkingen? En als compassie een natuurlijke, menselijke aanleg is, waarom toont de wereld dan zo vaak het tegendeel? Er is meer geweld te zien dan compassie. Waarom zijn er zoveel momenten in mijn leven dat ik geen compassie voel?

'In ieder mens leeft de wens om verlichting te bereiken en bij te dragen aan verlichting van allen.'

Een doorn in het hart

De Boeddha legde de reden voor het ontbreken van compassie eens uit aan de hand van een mooi beeld: een doorn in het hart. Er is iets in het menselijk hart geslopen, dat het doet schreeuwen van pijn. Het is klein, nauwelijks te zien en slechts met veel pijn te verwijderen. Die doorn veroorzaakt een verstopping in de geest, brengt een verduistering teweeg, waardoor de mens zonder richtingsgevoel op aarde rondrent, blind om zich heen slaat en anderen veel leed berokkent. De doorn staat voor een zeer subtiel maar sterk gevoel: het ‘ik’-besef. In plaats van zich uit te strekken naar al het hem omringende, heeft de mens zich opgerold rond een centrum, dat hij beschouwt als zijn eigen middelpunt: zijn eigen ‘ik’. Mijn geest en mijn lichaam zijn van mij, ze zijn mijn bezit. Ook de plaats die ik in de wereld inneem, is van mij. Zo heeft de mens voor zichzelf een gevangenis gebouwd, ‘ik’ genaamd. In feite is het ‘ik’ een lege plek. Illusoir als het is, een constructie, zijn de consequenties van deze constructie uiterst ambivalent. Enerzijds is dit bouwwerk van dit individuele ‘ik’ naast de religie misschien wel de mooiste uitvinding van de mensheid omdat het de grondslag vormt voor beschaving, cultuur en wetenschap, anderzijds is het de wortel van vijandschap, geweld, uitbuiting en het kwaad.

Is het mogelijk dit beperkende ‘ik’-besef los te laten zodat er iets anders voor in de plaats kan komen? In ieder mens leeft tenslotte de wens om verlichting te bereiken en bij te dragen aan verlichting van allen. Verlichting is volgens het boeddhisme een natuurlijk vermogen of talent en de uiteindelijke bestemming van de mens. Om tot verlichting te komen, zo leert de Boeddha, is een omwenteling nodig in de geest. Het ‘ik’ woont nergens anders dan in onze geest. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt en wat sommige teksten lijken te suggereren moet het ‘ik’ niet uitgeroeid of overwonnen worden. Het ‘ik’ moet zijn blik verruimen, voorbij zijn egocentrische grenzen leren kijken.

Verlichting heeft twee aspecten: wijsheid (inzicht) en compassie (handeling). Wijsheid en compassie doordringen, ondersteunen en versterken elkaar. In dit essay laat ik zien hoe we wijsheid kunnen ontwikkelen om het beperkte perspectief van het ‘ik’ te doorbreken en hoe we compassie kunnen ontwikkelen in ons dagelijks handelen. Ik beschrijf daarvoor zeven mogelijkheden, zogenaamde paramita’s, voor een compassievolle levenshouding.

Wijsheid: een open oog voor de werkelijkheid

Wijsheid is een wijze van zien, waaruit weten volgt. Welke wijze van zien? Geen enkele, bepaalde wijze van zien. Gewoonlijk neem ik waar op een bepaalde wijze. Mijn bewustzijn is altijd gericht op iets. Ik zie een boom, ik hoor het geluid van een auto, ik proef een appel, ik betast een huid, ik denk aan morgen. Deze gerichte waarneming komt voort uit een bepaalde positie: mijn plek op deze wereld, gevormd door mijn opvoeding, mijn belangen, doeleinden en wensen. Dankzij deze gerichtheid van mijn bewustzijn wordt mijn werkelijkheid geordend en kan ik er in leven. De wereld wordt voor mij overzichtelijk. Dingen zijn waargenomen als dingen, afgerond, afgezonderd en vergeleken met andere dingen. Verschijnselen worden gegrepen en begrepen als verschijnselen, begrijpelijk gemaakt in schema’s en begrippen als ruimte en tijd, bruikbaar en onbruikbaar, belangrijk en onbelangrijk, mooi en lelijk, goed en kwaad. De wereld is een optelsom van mijn gerichte waarnemingen en is derhalve mijn werkelijkheid.

Mahayana, een ontwikkeling van het boeddhisme, ontstaan ongeveer de eerste eeuw voor Christus, gebruikte alle mogelijke middelen om de kleingeestige zienswijze van het ‘ik’ te doorbreken. Het begint met een kritiek op deze gerichte wijze van waarnemen. Want zij mondt uit in een beperkt zicht op een oneindige, niet door mij te vatten wereld. Zij levert modellen en constructies die weliswaar van nut kunnen zijn, maar de werkelijkheid zelf verduisteren, verkleinen en doet verschrompelen tot voor mij bruikbare proporties. Zij zijn altijd egocentrisch. Zij brengen meer leed dan geluk.

Met open ogen

Het mahayana komt ons tegemoet met een nieuw begrip, sunyata, dat vaak wat ongelukkig wordt vertaald als leegte, maar eerder openheid of transparantie betekent. Sunyata wil zeggen dat de waargenomen dingen leeg zijn, geen eigenheid hebben, niet op zichzelf staan. Het begrip sunyata breekt alle begrippen, concepten en ideeën over de werkelijkheid, ook de meest bruikbare, open. Ze doet hen uiteenspatten en vernietigt ze opdat de werkelijkheid begriploos ervaren wordt.

Onze waarneming is gewoonlijk beïnvloed door begrippen. Begripsvorming betekent dat we een ding, een iets, omcirkelen met een begrip en dat het daarmee tot ding benoemd, gemaakt is. Omdat ik ooit geleerd heb wat een boom is, kijk ik met dit begrip naar die boom. Maar die boom is oneindig veel meer dan mijn begrip ervan. Wie zo naar de omgeving kijkt, gaat het al gauw duizelen. En dat is de bedoeling van sunyata. Sunyata verandert een statisch waarnemen van de werkelijkheid in het zien van de dynamiek die gaande is. Dingen functioneren want zij staan in betrekking tot elkaar. Niets en niemand leeft geïsoleerd. Geen ding heeft zichzelf gemaakt, geen mens heeft zichzelf op de wereld gezet, noch wordt hij op eigen kracht volwassen, noch sterft hij alleen. De gescheidenheid (de gedachte dat ik op mijzelf sta, en los van anderen een eigen leven leid), is boeddhistisch gezien de zondeval en de oorzaak van lijden. Maar die breuk is niet ontstaan in een mythologisch begin, zij voltrekt zich op dit ogenblik en wel in elk hoofd dat bezig is met ‘ik-mij-mijn’.

Zo wordt vanuit wijsheid de wereld gezien als samenhangend en samenwerkend geheel. Vandaar dat in het mahayana een beroep gedaan wordt op de verbeelding. Het wil voorkomen dat onze geest beperkt gericht is en zich ergens aan hecht. Het nodigt uit om ver te kijken, ver te zien, want uiteindelijk is er niet iets te zien. Ons geestesoog kan reiken zo ver de werkelijkheid wijd is. Wie vanuit deze zienswijze van sunyata de wereld waarneemt, zal zich diep verbonden weten met al het hem omringende, dichtbij en veraf. Verlichting vindt plaats wanneer op basis van het inzicht van eenheid en verbondenheid met alles, de wereld mij raakt met al zijn tegenstellingen en tegenstrijdigheden, zijn onontwarbare mengeling van goed en kwaad en van vreugde en verdriet. In de plaats van mijn eigen leven met zijn moeite, inspanningen en frustraties, in feite een lokaal gebeuren, is een wereldwijd bestaan van inspanning, zorgen, arbeid, pijn en lijden getreden.

Compassie: aanwezig bij het lijden

Wie zijn eenheid en verbondenheid met de wereld erkent, kan zijn ogen niet sluiten voor het lijden dat overal gaande is. De grensoverschrijding van ‘ik’ naar alles wat ‘niet-ik’ is maakt mijn lichaam tot podium, waarop het drama van de gehele wereld zich afspeelt. In plaats van minder draag ik meer lijden. Verlichting behelst een tweevoudig weten: ik en het universum zijn één en ik draag een onmetelijk lijden.

Zonder dat het afbreuk doet aan de schoonheid en perfectie van dit bestaan, ziet een verlicht oog ‘een oceaan van lijden’. Waar dit oog ook kijkt, het ziet overal een epidemie die de mensheid in haar greep heeft. Er waart een virus rond die gevoed wordt met onwetendheid, haat en begeerte. En juist de positieve kwaliteiten van verlichting leiden tot het inzicht: lijden is nergens voor nodig. Het kan anders.

Verlichting is dus een bevrijding met traumatische gevolgen. Het verheven weten van de schoonheid en de volmaaktheid van deze schepping gaat gepaard met de verwonding van het zien van de uitgestrektheid en de diepte van het lijden. De pijn van deze verwonding wordt niet alleen veroorzaakt door het waarnemen van het lijden, maar ook door een spontaan verlangen dat deze ziekte oproept, om haar te genezen. Alle lijden is immers mijn lijden. Dit is de zelfwerkzaamheid van compassie. Er komt geen nadenken, overwegen of afwegen aan te pas. Er is een naadloze overgang tussen het bevrijdende inzicht in de eenheid en verbondenheid van alles en allen en de uitgaande stroom van compassie, die gekenmerkt wordt door een niet te stillen verlangen alle lijden op te heffen. Hier begint de dwaasheid van compassie. Santideva, één van de grote leraren van het mahayana, verwoordt deze wens om het lijden van alle wezens tot rust te brengen:

Ik zou een geneesmiddel willen zijn voor de zieken, hun arts en helper totdat er geen ziekte meer is.

Ik zou de brandende pijn van honger en dorst willen blussen met regens van voedsel en drank.

Ik zou zelf drank en voedsel willen zijn ten tijde van hongersnood.

Ik zou een onuitputtelijke schat willen zijn voor de behoeftigen en hen willen bijstaan met allerlei vormen van hulpverlening.

‘Wat is het eerste principe van het boeddhisme?’ Ikkyu antwoordde: ‘Aandacht.’

Beoefening van compassie

Wat geldt voor elk talent, is ook van toepassing op onze aanleg voor compassie: het dient ontwikkeld te worden. Het Boeddhisme biedt een verzameling van geschikte middelen, adviezen en praktijken die geen ander doel hebben dan het tot bloei brengen van een compassievolle levenshouding. Han de Wit spreekt hier over een ‘verborgen bloei’, omdat zij zich afspeelt in de onzichtbaarheid van de geest. Compassie kan geleerd en beoefend worden in de drukke stad, het gezin, op de werkvloer, in de onderneming, het kantoor, de school, het ziekenhuis en in alle vormen van vrijetijdsbesteding. Voor bepaalde oefeningen kunnen we ons beter terugtrekken, want rust en eenzaamheid leveren waardevolle bijdragen. Ik geef zeven mogelijkheden om compassie te ontwikkelen. Zij worden in het mahayana paramita’s genoemd. Paramita betekent voortreffelijkheid, ook wel te vertalen met deugdzaamheid. Ook hier geldt dat een paramita een natuurlijke aanleg is, iets wat wij graag doen.

1. geven
Door te geven leren we los te komen van onze bezitsdrang. Dat schept vreugde. Het is goed om iets te geven bij een gelegenheid maar juist ook zonder aanleiding, zo maar, omdat het in mij opkomt. De grootte van het geschenk is niet belangrijk, wel de intentie waarmee het gegeven wordt. Een kleine gift kan met een groot hart gegeven worden. Ik kan iets geven aan dierbaren, maar ook aan een collega die mij niet goed ligt. Lastiger is het om iemand iets te geven wat hij of zij graag wil, zonder mijn waardeoordeel daaromtrent. Of te geven zonder te verwachten er iets voor terug te krijgen, geven in het verborgene, zonder afzender. Ik kan mijn tijd aan iemand geven, bijvoorbeeld een collega die het thuis moeilijk heeft. Veel moeilijker is het om mezelf te geven, zoals ik ben en niet zoals ik zou willen zijn. Of iets opgeven. Het prijsgeven van ideeën, meningen, overtuigingen kan een zinvolle oefening zijn in vergaderingen.

2. de beoefening van ethisch verantwoord gedrag
Men kan ook zeggen: de beoefening van het goede. In alle tradities zijn voorschriften die helpen om het goede tot stand te brengen. Zo is er in de Christelijke traditie sprake van de tien geboden. Deze voorschriften komen voort uit de ruimte van de geest, wanneer dagelijkse beslommeringen zijn achtergelaten. Deze voorschriften zijn dan ook universeel, zoals het voorschrift om niet te doden, het eigendom van anderen te respecteren, niet begerig te zijn en geen kwaad te spreken van anderen.

Alle voorschriften liggen in feite besloten in de eerste: niet doden. Dat betekent dus ook de ander niet beschadigen, geen schade berokkenen, het zich onthouden van geweld, ook verbaal. Door schade te berokkenen aan anderen, ontkent men de ware betekenis van leven en dood. We tonen geen respect voor het wonder van leven.

De bestudering van deze universele voorschriften maakt ons bewust hoe vaak we falen. We schenden ze voortdurend. Dat besef maakt ons hart open voor pijnlijke vragen en dilemma’s. De voorschriften zetten aan tot onderzoek en tot het nemen van de eigen verantwoordelijkheid. Ze helpen ons bij het onderzoeken van ons eigen gedrag. Door het onder ogen zien van onze eigen fouten ontwikkelen we een meer compassievolle houding. De Boeddha gaf hierover een mooie les aan Upali, een barbier die zich ontwikkeld had tot een groot kenner van de Vinaya, de verzameling regels en voorschriften. Upali vroeg de Boeddha wat de ergste wijze was van het breken van de regels. ‘Wereldeerwaarde, veronderstel, een bodhisattva breekt een voorschrift uit begeerte, een ander doet dat uit haat, en weer en ander uit onwetendheid. Welke van de drie schendingen is het ergst?’ De Wereldeerwaarde antwoordde Upali: ‘Als iemand voortdurend de voorschriften breekt uit begeerte, is zijn schending van het voorschrift nog steeds klein. Als iemand een voorschrift breekt uit haat, zelfs maar voor eenmaal, is zijn schending zeer ernstig. Waarom? Omdat iemand die voorschriften breekt uit verlangen, nog altijd levende wezens in zijn armen sluit, terwijl iemand die een voorschrift breekt uit haat, levende wezens in de steek laat. Upali, verlangen is moeilijk op te geven, maar het is een subtiel gebrek; haat is gemakkelijk op te geven, maar het is een ernstig gebrek; onwetendheid is moeilijk op te geven, maar het is een zeer ernstig gebrek. Men moet de kleine overtredingen verdragen die moeilijk te vermijden zijn, maar men moet niet de grove overtredingen verdragen die gemakkelijk te vermijden zijn.’

3. de beoefening van geduld
Het beoefenen van geduld betekent niet tandenknarsend de pijn ontkennen, maar het ontwikkelen van het vermogen om pijn te ervaren zonder ervan weg te lopen. Geduld is pijn onder ogen zien en daarin ontspannen. Het lijden dat ik op kan heffen – het is mijn plicht dat op te heffen. Maar het lijden dat ik niet op kan opheffen, daarvan kan ik leren om het toe te laten en ernaar te luisteren. Albert Camus: ‘Men kan verlangen, zoals ik doe, naar een zachtere vlam, een verademing, een pauze om te mijmeren. Maar misschien is er geen andere vrede voor de yogi dan wat hij vindt in de hitte van de strijd.’ ‘Elke muur is een deur’, zei Emerson terecht. ‘Laat ons niet ergens anders zoeken naar een deur of een uitweg dan in de muur waarin we leven. In plaats daarvan: laat ons de verademing zoeken waar het is – in het hevigste van de oorlog. Naar mijn mening is het daar… Bij wijze van resultaat, treedt daar op vloeiende wijze de altijd bedreigde waarheid tevoorschijn die iedereen voor allen sticht op de fundering van zijn of haar lijden.’

In welke situaties kunnen we geduld oefenen? In tijden dat mijn enthousiasme voor het werk zwak is. Wanneer twijfels toeslaan. Wanneer het contact met collega’s mij niets meer zegt. Wanneer moedeloosheid mij overvalt. Wanneer ik voor mijzelf geen enkele vooruitgang kan bespeuren. Het geduld om een kind zijn eigen gang te laten gaan, ook al denk je als ouder over zijn keuzes heel anders. Het geduld om het leven zijn gang te laten gaan. Maar ook het geduld oefenen om de grote vragen over de zin van leven en dood te stellen zonder dat een antwoord ons bereikt. En tenslotte kunnen we ons oefenen om ook geduld te hebben met ons ongeduld.

4. het opwekken van energie
Iedereen, overeenkomstig zijn eigen vermogens, is een oneindig groot reservoir van energie. We hebben de capaciteit om enthousiasme voort te brengen, problemen aan te pakken en depressie en somberheid te vermijden. We kunnen met energie een dag beginnen, energievol in het leven staan. Goed met onze energie omgaan door een inspanning te verrichten op ontspannen wijze. Wie een groot ideaal wil verwezenlijken heeft veel energie nodig. We kunnen die energie opwekken. In de zenmeditatie kan men leren door bewust ademen het hele lichaam van energie te doordringen. Ook een ervaring van inzicht geeft energie. Door inzicht wordt de mens geactiveerd, vervuld met een geweldige spanning en dynamiek, en aangezet tot een handelen waarin de bewogenheid naar buiten breekt. Dit is één van de redenen waarom men in de zenbeoefening aangespoord wordt verlichting te bereiken. Verlichting is een bron van energie.

5. de beoefening van concentratie en aandacht
Een compassievol leven wordt versterkt door de beoefening van concentratie en aandacht. Regelmatig tijd uittrekken om in stilte en afzondering te mediteren – op een kussen te zitten en de ademhaling te tellen of te volgen – is cruciaal. Het lichaam stil en onbeweeglijk neerzetten om de geest de ruimte en de vrijheid te geven, of zich te richten op één punt (de ademhaling, een voorwerp of een woord). Geconcentreerd zitten is de beste manier om het ‘ik’ te vergeten. In de concentratie verliest het zijn opdringerige aanwezigheid. Daardoor kan concentratie de mysterieuze ervaring geven van eenheid met het ons omringende. Concentratie verbindt. Onze geest wordt alles waarop zij zich richt. Concentratie is niet gemakkelijk tot stand te brengen. Iedereen die ervaring heeft met meditatie weet hoe de bewegingen van de gedachten, de gevoelens en de beelden voortdurend concentratie in de weg staan. Maar herhaalde beoefening maakt ons vertrouwd met alles wat in ons bewustzijn zit: frustratie, angst, de wonden van het verleden, wanhoop, seksuele verlangens, begeerte, woede, haat, teleurstelling, ambitie, jaloezie, pijn. Meditatie is het ontwikkelen van een oprechte blik naar binnen zodat men kan zeggen: zie mij, zo ben ik. Vervolgens is er nog één stap verder te gaan. Dit alles zo te laten. De geest de ruimte te geven opdat hij kan waaien waarheen hij wil. Want de geest bezit een eigenschap waarmee zij al de zogenaamd negatieve aspecten van bewustzijn transformeert tot bruikbare hulpmiddelen. Wanneer we ons egocentrisme onaangedaan laten en we niet zelf proberen dit weg te werken of uit te doven, worden zelfs onze donkerste kanten door de compassievolle geest gemaakt tot voorwerpen van licht. Meditatie op een kussen is niet voldoende. De oefening in concentratie kan zich uitstrekken in het leven van alledag door aandacht te hebben voor ons staan, lopen, zitten of liggen. Aandacht voor de omgeving, de anderen waarmee we in gesprek zijn, de zon of de regen. Aandacht voor onze stemming, voor wat we onderhanden hebben, de afwas, de stofzuiger, het voedsel dat bereid wordt, de boodschappen die gedaan moeten worden, een boek, het fietsen, de kinderen die van school gehaald worden. Alles geeft aanleiding tot aandacht.

Iemand vroeg eens aan Ikkyu, een groot zenmeester: ‘Wat is het eerste principe van het boeddhisme?’ Ikkyu antwoordde: ‘Aandacht.’ ‘Ja,’ zei de man, ‘dat weet ik. Maar wat is dan het tweede principe?’ ‘Aandacht,’ antwoordde Ikkyu. ‘Uiteraard,’ vervolgde de man, ‘maar wat is dan het derde principe?’ ‘Aandacht,’ antwoordde Ikkyu onverstoord. Toen werd de man heel boos: ‘Maar wat is dan in ’s hemelsnaam aandacht?’ Ikkyu zei: ‘Aandacht is aandacht.’

In het boeddhisme is aandacht de allerbelangrijkste praktijk. Maar ook een niet-boeddhiste als Simone Weil heeft geschreven over geduld en over zuivere aandacht. ‘Hoewel men dat tegenwoordig niet schijnt te weten, is het vormen van het vermogen tot aandacht het ware en bijna uitsluitende doel van alle studie. Alle vakken dienen gewaardeerd te worden, want dit doet de aandacht groeien. Wiskunde bijvoorbeeld is allereerst beoefening van aandacht. Het vinden van een oplossing voor een wiskundig probleem is van minder belang. Wie met werkelijke aandacht probeert een wiskundesom op te lossen en na een uur nog geen stap gevorderd is, heeft toch iedere minuut vorderingen gemaakt op een veel geheimzinniger gebied. Zonder dat hij het voelt of weet, heeft deze kennelijk vruchteloze poging meer licht in zijn ziel gebracht. Zelfs wanneer de inspanningen van de aandacht jarenlang zonder resultaat zouden blijven, dan nog zal de ziel ongetwijfeld eenmaal vervuld worden door een licht dat volkomen evenredig is aan die inspanningen die men zich getroost heeft. Iedere poging voegt een beetje goud toe aan een schat die niemand ter wereld u kan ontnemen. Vandaar: studeren zonder het geringste verlangen naar goede cijfers of een geslaagd examen.’ En in een ander citaat zegt ze: ‘De aandacht bestaat uit het opschorten van het denken, het beschikbaar laten zijn van het denken, leeg en open voor de dingen. Het denken moet leeg zijn, in afwachting, niets zoekend, maar gereed het voorwerp dat erin zal doordringen, in zijn volle waarheid te ontvangen.’

6. het cultiveren van wijsheid
Wijsheid is de wereld zien zoals zij is. Alleen een rustige geest is in staat de werkelijkheid te zien zoals zij is. Een geest in beroering legt een dik tapijt van ideeën, denkbeelden en conventionele opvattingen over de werkelijkheid. Sommigen beweren dat het onmogelijk is om de werkelijkheid te zien zoals ze is. We leven noodzakelijk vanuit een vertekening en daarmee moeten we het doen, zeggen veel westerse filosofen. Maar het boeddhisme is hier zeer stellig. Ook al zijn onze interpretaties voor het dagelijkse verkeer nodig en zullen we steeds weer naar hen terugkeren om te overleven, we kunnen wel degelijk leren onze begrippen, concepten en ideologieën te doorzien, er doorheen te kijken en ze op te schorten. Er is een wereld te winnen achter de wereld die we verliezen. Sommige van onze interpretaties zijn snel te doorzien en gemakkelijk in te ruilen voor een ander. Maar interpretaties die van jongs af aan zo ingeslepen zijn (bijvoorbeeld over tijd en ruimte, man en vrouw, mens en dier) zijn stevig vastgeplakt op ons netvlies. Het idee dat we een ‘ik’ hebben is ook zo’n vastgeroeste interpretatie. Ook politieke, morele of religieuze overtuigingen zijn interpretaties die we niet graag prijs geven: we zijn zelfs bereid er oorlog om te voeren. Wat zou er gebeuren als we al die mentale constructies zouden doorzien en opgeven?

Het cultiveren van wijsheid is het je ontdoen van alles wat je weet en wilt. Het houdt in je geest zuiveren van vaststaande ideeën, begrippen en interpretaties. Het vraagt van ons de gedachte op te geven van een ‘ik’ of van een onderscheid tussen zelf en anderen. Zelfs alle ideeën over lijden en compassie kunnen het zien van de werkelijkheid zoals zij is, in de weg staan. De praktijken als geven, geduld oefenen en energie opwekken worden niet langer beoefend om hun verdiensten of nuttigheids-waarde, want men weet: er is niet iemand die geeft, noch iets dat gegeven wordt, noch iemand aan wie gegeven wordt. Er wordt slechts gegeven. Wijsheid is als een rivier die in haar stromen nergens door gehinderd wordt. Er is slechts de geest die wijsheid is en stroomt waar zij wil. Die geest kan niet anders dan compassievol functioneren.

7. het herhaaldelijk hernieuwen van de belofte
Het woord belofte komt van een moeilijk te vertalen Sanskriet woord pranidhana. Het kent een veelvoud van betekenissen: wens, verlangen, intentie, voornemen, besluit, gebed, belofte, gelofte. En dat alles met een sterke intensiteit: een vurige wens, en groot verlangen, een vast besluit, een krachtig voornemen, een smeekgebed, een belofte waaraan men zich gehouden weet, een gelofte waarbij men zweert deze na te komen. Misschien is dit alles nog het best weer te geven met een ‘groot commitment’. Commitment komt voort uit verlangen. Er is in ieder van ons een natuurlijk verlangen om het lijden om ons heen op te heffen. Het verlangen is mateloos en zal niet rusten voor aan deze wens voldaan is. Misschien is het moeilijk om dit verlangen te erkennen. Kritisch nadenken over het leed in de wereld roept vragen en weerstand op. Waarom heb ik te maken met alle lijden en niet met dat lijden dat slechts mij en mijn omgeving treft? Ik heb genoeg aan mijn eigen leven. Ik ben maar een beperkt mens. Er is teveel lijden om iets zinvols te kunnen doen. Ik kan mij bij het lijden van alle wezens niets voorstellen. Ik kan er met mijn gevoel niet bij. Laten we nuchter blijven.

Ondanks die redelijke argumenten is er een verlangen dat zoekt naar eenheid en verbondenheid en dat zich niet neerlegt bij welke vorm van afgescheidenheid ook. Door het herkennen van een diepe verwantschap met anderen word ik vanzelf getrokken naar mensen die lijden. Ik kan niet anders willen dan dat de oorzaak van lijden, onwetendheid, haat en begeerte, wordt weggenomen. Dit verlangen leidt tot commitment. In de zentraining leidt dit tot het herhaald uitspreken van een belofte: ‘Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof hen allen te bevrijden.’ Hoewel deze bodhisattva-geloften een belangrijk onderdeel zijn van de zenpraktijk, zijn ze terug te voeren op een universeel gegeven. Elk mens, die diep genoeg zijn hart onderzoekt, kent het verlangen dat iedereen uiteindelijk gelukkig moge zijn, zelfs zijn vijanden. De geloften verwoorden deze wens en wekken daarmee de intentie om naar vermogen daartoe bij te dragen.

'Er is een oneindig reservoir aan goedheid en dat deze goedheid is ten volle in elk mens aanwezig is.'

Zo vanzelfsprekend en o zo trefzeker

Het boeddhisme gaat ervan uit dat er van nature in de gehele werkelijkheid een oneindig reservoir aan goedheid is en dat deze goedheid ten volle in elk mens aanwezig is. Dat er zoveel kwaad geschiedt in de wereld, is niet bij gebrek aan het goede. Het is blikvernauwing die pervertering en onderdrukking van dit oorspronkelijk vermogen veroorzaakt. Compassie is een natuurlijke aanleg, maar dit vermogen dient wel ontwikkeld te worden. De boeddhistische traditie verschaft middelen en praktijken, die een levenslange beoefening vragen. Wie compassie wil ontwikkelen zal ongetwijfeld vele malen door de vraag overvallen worden: doe ik wel het goede en doe ik wel genoeg? Een eenvoudig antwoord kan zijn: ik doe nooit genoeg. Hoewel compassie in overvloed voorhanden is, zal ik altijd tekort schieten.

In de boeddhistische iconografie heeft oneindige compassie op vele wijzen gestalte gekregen in het beeld van Kwan-Yin (Chinees) oftewel Kanzeon (Japans). Er is een beeld dat Kwan-Yin toont, zittend in meditatie op een lotusblad met in haar handen een parel. Die parel is een traan. Want Kwan-Yin huilt tijdens haar meditatie altijd. Zij weet dat bevrijding voor iedereen mogelijk is. Zij heeft beloofd iedereen van het lijden te verlossen. Maar zij weet ook dat zij feitelijk niet zoveel kan. Hoe groot haar geest ook is, haar lichaam is beperkt. Toch hoort zij voortdurend, zoals haar naam zegt, ‘de klank van de wereld’. Die klank die onophoudelijk tot haar doordringt is de schreeuw van lijden en de roep om hulp. Zij wil zoveel, maar zij kan zo weinig. Zij heeft een overvloed aan compassie, maar weet dat het nooit genoeg is om aan de vraag te voldoen. Daarom huilt zij altijd.

Dat we nooit genoeg zullen doen is geen reden om dit ideaal op te geven en mijn inspanningen te staken. Ook wanneer moedeloosheid mij treft of wanneer het ontwikkelen van een compassievolle houding mij begint voor te komen als een zinloos, onbereikbaar en schimmig doel, is dat nog geen aanleiding om mijn streven op te schorten of te verbreken. Wijsheid leert dat er uiteindelijk niet iets te bereiken is en dus is er niet iets om naar te streven. Ik kan dan ook ontspannen. Vanuit dat besef kan ik blijven oefenen met een volledige inzet die tegelijkertijd moeiteloos en zorgeloos is. Hoewel ik een groots ideaal heb dat veel werk van mij vergt, kan ik leven, naar een uitdrukking van Linji, ‘als de drukste mens van de wereld die zijn leven lang niets te doen heeft’. De Chinezen noemden dat wu-wei, doen op de wijze van niet doen. Een dergelijke moeiteloze inspanning steunt op een inzicht: dit lichaam is één en al expressie van compassie. Ik hoef dus niet bewust compassievol te denken. Onafhankelijk van weten en willen doet mijn lichaam niets anders dan compassievol functioneren. Alles wat het doet is een uitdrukking van compassie. Ik moet wel mijn oefeningen doen, maar ik hoef mij geen zorgen te maken over hun effectiviteit. Ter illustratie een mooie dialoog van twee Chinese zenmeesters.

Ungan vroeg aan Dogo, zijn meester:’Hoe maakt Kanzeon, de bodhisattva van het grote mededogen, gebruik van al die handen en ogen?’ Dogo antwoordde: ‘Als iemand die midden in zijn slaap zijn hand uitstrekt om zijn kussen recht te trekken.’ Ungan zei: ‘Ik begrijp het.’ Dogo zei: ‘Wat begrijp je?’ Ungan zei: ‘Het gehele lichaam is één en al hand en één en al oog.’

(uit de Hekiganroku, nr. 89)

Wie ’s nachts slaapt, weet zonder na te denken en zonder te zoeken zijn hoofd-kussen te vinden. Zo onbedacht, zonder het zelfs te beseffen verricht Kanzeon compassievolle handelingen. Zij is compassie ondanks en dankzij zichzelf, want haar lichaam is één en al oog. Niet het geringste lijden ontgaat haar: haar lichaam is één en al hand. Vanzelfsprekend strekt zij haar hand uit. Compassie is de gewoonste zaak van de wereld. Een uitsluitend conventioneel gevormd oog, ziet niets bijzonders. Maar een getraind oog ziet wat er aan de hand is.

 

Bronnen

Santideva, De weg tot het inzicht, vertaald uit het Sanskriet en ingeleid door Ria Kloppenborg, Meulenhoff, Amsterdam, 1980, p. 47-49.

Han de Wit, De verborgen bloei, over de psychologische achtergronden van spiritualiteit, Kok Agora, Kampen, 1993.

 

Dit essay komt uit ZINschrift 2 – Passie voor compassie, tussen kracht en kwetsbaarheid op het werk.

Nico Tydeman

Nico Tydeman is geestelijk leider van het Kanzeon Zen Centrum Amsterdam en hij geeft sinds 1995 wekelijks les in Zentrum. Eens per seizoen geeft hij een weekend retraite of workshop.

Van Nico verschenen een aantal prachtige  boeken:

  • Zitten, de Praktijk van Zen
  • Het Temmen van de Os
  • Vormen van Oneindige Leegte
  • Dansen in het Duister
  • Koan: Contemplatie op Woorden en Gebaren

Nico Tydeman studeerde theologie in Nijmegen en kreeg zijn eerste zenonderricht bij Karlfried Graf von Dürckheim. Hij vervolgde zijn zentraining bij Baker Roshi te San Fransico en bij Thich Nhat Hanh. Sinds 1983 is hij leerling van Genpo Roshi, van wie hij in 2004 Dharmatransmissie ontving.